
Dwalend door onze stad
er even genoeg van gehad
rijd ik radeloos rond
in verwarrende verstopping
Adem stokt, hart gaat tekeer
ik zie obstakels en trammelant
en hoe alles weer verzandt
in modderige paden
Overspoeld en verblind
zie ik slechts de stopborden staan
langs afgesloten wegen
keer op keer begaan
In ons eigen labyrint
verloren op de rotondes
in eindeloze rondes
er is geen afslag meer
Maar in de buitengebieden
vinden we elkaar terug
aan de overzijde van de brug
op het bospad van weleer
In de open ruimtes
waar we elkaar beminnen
en onszelf in de ander
kunnen vinden
En op het hoogste gebouw
toch altijd goed te zien
prijkt de witte vlag
die altijd zal wapperen