
Hoe prachtig was vandaag de dageraad. Het was alsof de hemel was opengebarsten en een zachtroze licht had aangedaan. Ertussendoor strepen van lila en lichtblauw, in een willekeurig maar perfect patroon. Aan de horizon was net het gouden schijnsel van de zon te zien, dat krachtig op kwam zetten en licht naar boven uitwaaierde. Het was een magnifiek schouwspel, werkelijk adembenemend en een verrukkelijk begin van een veelbelovende dag. Maar jouw blik was omlaag gericht en je zag het niet.
Je liep naar het station, nog zo’n achthonderd meter te gaan. Je keek vluchtig naar de tijd, linksbovenin: o, shit, houd de pas erin. Je vloekte toen je per ongeluk door een plas water liep die je niet had gezien. Met één natte schoen liep je standvastig door, nog vijfhonderd meter te gaan. Je stak de weg over, naar het stukje door het park. De vroege vogels kwetterden er lustig op los en zetten de toon voor de nieuwe dag. O, zo verblijdend als dat was. Maar jij zat in je eigen wereldje en je hoorde het niet.
Het station was al in zicht, de drukte van de dag begon. Van alle kanten kwamen mensen aan, fietsend en te voet. De stilte van de ochtend regeerde, hier en daar wat geroezemoes. Nog honderd meter te gaan, nog vijf minuten op de klok. Gerustgesteld liep je door, met enigszins vertraagde pas. Je kon het perron al zien en lachte even om een grap. De energie van de nieuwe dag nam met elke stap toe. Maar jouw aandacht lag elders en je voelde het niet.
Nu ben je in de trein, op weg, god weet waarheen. Je baant je een weg door
de ruis en vindt nog een zitplaats. Je gaat vlug zitten en kijkt even afwezig rond. Een wereld vol steden, weilanden en bossen zoeft langs je heen. De zon is inmiddels goed te zien, al neigend naar de volle gloed. Het roze wordt langzaam verdrongen door blauw, de voorbode van een zonovergoten dag.
Zo ongekunsteld en majestueus.
Maar jij ervaart het niet.