Een kort verhaal uit 2023

Net waren we nog aan het dollen. Ik was bezig met het pannenkoekenmeel en jij kwam de keuken ingeslopen precies op het moment dat ik een ei in m’n hand had. Je greep me van achteren met beide armen vast en ik schrok daar zo van dat ik ‘pats’ het ei op het randje van het aanrecht kapot liet vallen. De smurrie droop langzaam langs het kastje naar beneden en daar lachten we nog zo om.
Tien minuten later. Ik weet niet wat je ook alweer zei, maar daar ging het helemaal niet om. Eén misverstaan woord of verkeerd geïnterpreteerde klemtoon was genoeg, het triggerde iets in mij. Ik reageerde verbaasd en enigszins bedrukt en dat provoceerde iets in jou. In een luttele seconde, het was slechts een ‘wat?’, sloeg de sfeer honderdtachtig graden om.
Waar we net nog zo gelukkig waren, zaten we nu prompt in het schemergebied waar onze oude wonden van angst en onzekerheid ronddolen. Vijf minuten later zat ik wanhopig op de grond tegen de bank aan met m’n handen in m’n haar. Onbegrijpelijk, hoeveel pijn er ineens de kop opstak, maar ik kon niet anders.
Jij keek radeloos mijn kant uit, zelf ook verteerd. Het diepe verdriet van je jeugd liet zich niet langer onderdrukken. Bij mij waren het andere ervaringen dan dat, hoewel ik daar de laatste tijd zo mijn twijfels over had gehad; het was een combinatie van aspecten van mijn conditionering en later opgedaan leed. Je begon te tieren van verslagenheid, hetgeen op die momenten je enige uitlaatklep was. Ik kon dat niet aan, ook al wist ik hoe het zat, en vluchtte naar boven.

Minstens een kwartier zat ik daar in het donker in de fauteuil, waar ik mijn tranen de vrije loop liet. Het maanlicht kalmeerde me een beetje en ik observeerde mijn gevoelens. Ineens wist ik wat er net mis was gegaan en ik liep gehaast de trap af om jou gerust te stellen. Maar jij was inmiddels in je eigen zwarte gat beland. Je zag nergens meer heil in, zei je, en dat ontketende weer iets in mij.
Hulpeloos verloren lag ik op de bank te huilen, ik wist niet eens meer hoe ik daar zo was beland. Zoals wel vaker uitte ik de zielenpijn van ons allebei, omdat jij de emoties die daaraan verbonden waren al heel lang niet meer kon uiten. De treurnis van ons samen viel me eigenlijk te zwaar, maar ik aanvaardde het omdat ik wist hoe het zat. Jouw gezicht stond nog steeds op onweer, toen ik vertelde over het stuk lijden waarvan ik zeker wist dat het van jou moest zijn omdat het zich op een heel ander niveau bevond dan het mijne. Het drong tot je door en je kwam naar me toe. Je omhelzing was zo zuiver… Ik voelde me meteen veilig, in jouw armen.
Zo zaten we daar samen totdat een van ons de stilte doorbrak. We beseften allebei wat er gaande was en jij zei dat het je speet. Maar je hoefde je niet te verontschuldigen, want we waren allebei even kwetsbaar.
Ik huilde nog steeds, maar nu ook van opluchting. Wij konden het ook niet helpen, hoewel we wisten hoe het zat. Nog een half uurtje had ik nodig om weer meer en meer terug te komen in de realiteit. Ik moest ineens denken aan dat ei van anderhalf uur daarvoor en zei daar wat over. We barstten in lachen uit. De onnoemelijke zwaarte van alles deed er plotsklaps niet meer toe. Het was weer net als net.