
Mijn naam is Simeon Petrus, apostel van Jezus. Dit is mijn persoonlijk geschrift aangaande de gebeurtenissen die bijna tweeduizend jaar geleden plaatsvonden rond de kruisiging van Jezus.
Laat mij beginnen met te zeggen dat het voor velen een gegeven is dat ik Jezus driemaal heb verloochend. Het heeft er alle schijn van. Het moment voor de waarheid daarover is nu, tweeduizend jaar later, gekomen. Voor eenieder die voorkomend is deze getuigenis te aanvaarden.
De reden dat ik dit thans openbaar, zal weldra voor zich spreken. Ik kan daarover alvast aan het licht brengen dat het van zeer groot belang is dat de mens niet meer enkel vanuit religie of ander geloof leeft, maar ook vanuit het vertrouwen in de onbetwistbare liefde en kracht van het zelf, binnen onszelf. De chaotische tijd waarin jullie je bevinden vraagt daar om.
Voordat ik een volgeling van Jezus werd was mijn naam Simon, ofwel Simeon. Niet alleen was ik Zijn eerste apostel, maar ook Zijn vertrouweling, Zijn ‘rots’.
Laat mij nu zeggen dat het waar is dat Jezus wonderen verrichtte. Althans, dat wat door het volk als wonderen werd gezien. In werkelijkheid was Jezus niet van onze tijd, maar hij was wel eindig in de tijd. Dat is hoe het waarlijk was. Hij bezat de kunde materie te beïnvloeden, hetgeen zelfs in jullie huidige tijd nog als wonderlijk of zelfs onmogelijk zou kunnen worden beschouwd. Ook was Hij verbonden met het geestenrijk. Van angst van mijn zijde die nacht was geen sprake, dat was niet de ware reden van mijn ogenschijnlijk verraad.
Ik was de enige die wist wie Jezus wezenlijk was en waar Hij toe in staat was. Jezus heeft aan mij alles uit de doeken gedaan, erop vertrouwend dat ik het zou verstaan. Hoewel Zijn boodschap als een donderslag bij heldere hemel kwam, besefte ik het en aanvaardde ik het.
Jezus wist dat Zijn einde in onze tijd nabij was. Hoewel Zijn intenties immer zuiver zijn geweest, waren Zijn manieren om de mensen te overtuigen achteraf bezien niet de beste. Ik kan nu met zekerheid stellen dat Jezus daarmee een dwaling heeft begaan. Hij heeft de angst van de mensen voor het onbekende onderschat en heeft onkundig ingestemd met de overtuiging dat Hij de zoon van God was. Dat was echter met de beste intenties, omdat het de mensen naast geloof tevens hoop gaf.
Dan nu over mijn ‘verraad’. Het is waar dat ik, nadat Jezus in Getsemane gearresteerd was en in Jeruzalem verhoord werd, driemaal heb tegengesproken dat ik Zijn volgeling was. Maar al die keren was ik voorbedacht op die momenten op die plaatsen, zodat het kon gebeuren. Want als zelfs ik, Zijn trouwste volgeling, Jezus zou verloochenen, hoe groots was Zijn gezag dan werkelijk?
De eerste keer was toen ik buiten bij het vuur zat met de arresteerders van Jezus. Een dienstmaagd herkende mij als apostel van Jezus en riep dat ik een volgeling was van Jezus van Nazareth. Ik ontkende.
De tweede keer wandelde ik op de binnenplaats. Een vrouw herkende mij als apostel van Jezus en wees me luidruchtig aan ten overstaan van de omstanders. Ook hier ontkende ik.
De derde keer was kort na de tweede keer. Een slaaf van de hogepriester was er zeker van dat hij mij in het gezelschap van Jezus had gezien en verkondigde dat. Ik ontkende.
Het is ook waar dat Jezus mij heeft gewaarschuwd. Hij heeft tweemaal gezegd dat ik Hem die nacht zou verraden, voordat de haan tweemaal zou kraaien. Jezus zorgde niet voor niets dat daar getuigen bij waren die het vol ontzetting aanhoorden. Ook dit was deel van onze overeenstemming.
Er moest een groot wonder plaatsvinden om het volk te laten zien wie Jezus waarlijk was. Groter dan alles wat Hij tot dan toe had laten zien. De eerste aantonende omstandigheid zou zijn dat Hij zou sterven uit liefde voor de mensen; het grootste offer dat Hij kon brengen. Hierna zou Hij uit de dood herrijzen.
Zijn herrijzenis was in Jezus’ ogen de enige manier om de mens hoop te geven op het bestaan van iets hogers, iets wat het aardse leven ontstijgt. En dat was precies het erfgoed dat Hij verhoopte na te laten.
We bespraken het plan. Niemand anders mocht dit weten. Behalve die ene ziel, die voorwaar zijn leven zou geven en zich daarmee welwillend zou opofferen voor Jezus. Allicht moest hij als twee druppels water op Jezus lijken.
Jezus’ arrestatie kwam voor ons niet onverwacht. Ikzelf was degene die de hogepriesters heeft aangespoord, die ze tegen Jezus heeft opgezet. Ook dit was deel van het plan.
Vanaf het moment dat Jezus werd gearresteerd was het niet Jezus die meegenomen werd en ondervraagd werd. Het was niet Jezus die de barre tocht maakte door de straten, uitgejoeld door de uitzinnige menigte. Het was dan ook niet Jezus’ gezicht, waar het bloed overheen stroomde van onder de doornen kroon die de Romeinen in Zijn hoofd hadden gedrukt. En het was ook niet Jezus die de folteringen heeft doorstaan voorafgaand aan de kruisiging.
Jezus’ graf lag in een tuin vlakbij de plek waar Hij was gekruisigd. Het was een nieuw graf, uit rotsen gehouwen, waar nimmer iemand had gelegen. Tegen het gat werd een grote rots geplaatst. Niemand mocht er de eerste drie dagen gaan kijken, dat was tegen de regels van onze tijd. Maria Magdalena vertrouwde mij toe dat ze heimelijk naar het graf wilde gaan, om op eigen wijze afscheid te nemen van Jezus. Ze vroeg mij om hulp bij het verleggen van de steen. Maar omdat zij de enige was die het bedrog zou kunnen waarnemen als ze hem van dichtbij zou aanschouwen, was het mijn taak om haar daarvan te weerhouden. Uit alle macht heb ik Maria overtuigend gesmeekt om niet te gaan.
Na de derde dag dat Jezus in het graf lag, heb ik ruim voor het ochtendgloren met Jezus’ hulp het lichaam van de man waarvan men dacht dat het Jezus was ontnomen en doen verdwijnen. De twee bewakers bij het graf waren zo moe van de derde nacht aaneen waken dat ze in slaap zijn gevallen. Dit hebben ze nooit in deze woorden uitgesproken. Maar zo kwam het dat het graf leeg werd gevonden.
De ware Jezus verscheen daarna nog gedurende veertig dagen aan Zijn volgelingen, als eerste aan Maria Magdalena. En zo kon de herrijzenis van Jezus het grootste wonder worden. Het wonder dat in wezen bedoeld was als aanwijzing van de ware aard van het menselijk bestaan. Hoewel Jezus wist dat het nog zeer lang onbegrepen zou blijven, voorzag Hij ook dat het eens van uiterst belang zou zijn.
Zo was het wonder. Wonder dat tweeduizend jaar lang nodig was.
Hij was van tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u, die door Hem gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof tevens hoop is op God. (Petrus 1:20-21 NBG51)