‘De hordeur?’ Hij kijkt op vanachter de krant. ‘Wat is er met de hordeur…?’
‘Nééhéé, een HOARDER, jeweetwel, het Engelse woord voor iemand met een verzamelstoornis.’ ‘Oooo, een hóarder. Ja, natuurlijk. Wat is daarmee?’

Ja, leg dát maar eens uit… Ik werk vanuit de Wmo als schoonmaakhulp voor ouderen en ik was er vanochtend voor het eerst geweest. Het was in het huis van een dame van bijna tachtig jaar oud, die er zelf goed verzorgd uitzag. Maar dat huis… Dat was echt niet om aan te zien. Nu was ik er al wel op voorbereid geweest, want het was me bekend dat dit geen routine schoonmaakwerk zou worden. Maar om het met eigen ogen te aanschouwen, dat was echt wel even schrikken…
De huiskamer, waar het kennismakingsgesprek plaatsvond, ging nog wel enigszins. Oké, het stond wel helemaal vol met kasten die duidelijk overvol zaten en er stonden dozen en tassen die uitpuilden van de spullen voor en naast die kasten en bij de ramen, maar de tafels waren deels leeg, dus bruikbaar, en er waren een bank en een stoel waar op gezeten kon worden. En er was voldoende loopruimte, hetgeen ik ook maar als positief zag, want ik wist van horen zeggen dat dat er bij sommige andere mensen in zo’n situatie níet was. En ja, oké, toen ik daar zo zat kon ik de boel wat beter bekijken en zag ik wel dat alles onder een dikke laag stof zat of ronduit vies was, maar daar probeerde ik geen acht op te slaan, want waar het de schoonmaak betrof had ik door de jaren heen al van alles meegemaakt en daar schrok ik niet zo gauw meer van.
Maar daarna kreeg ik een toer door de rest van het huis. De keuken grensde aan de woonkamer, maar die had ik nog niet kunnen zien omdat die aan de achterkant zat, een klein muurtje om. Daar schrok ik wel even, want het stond echt hélemaal vol. Echt, het was met geen pen te beschrijven wat ik daar zag, maar ik zal het een poging geven: er was geen stukje aanrecht meer te zien, het stond helemaal vol met vieze vaat, potjes, pakjes en andere spullen die niet eens in een keuken thuishoort. Als ik naar het aanrecht zou willen lopen, moest ik over een berg heen lopen van kleding, plastic tasjes en andere platgetrapte rommel. Om dat ‘pad’ heen was er een stapel van op sommige plekken anderhalf meter hoog waarin allerlei gebruiksvoorwerpen, lege dozen en manden met spullen in leken te balanceren. Je kon het zo gek niet bedenken of het stond er: een oude keukentrap naast een stoel met daarop een mand met vuile was en afwas, met onder die stoel een stapel ‘dingen’ waarvan ik niet eens kon zien wat het nou allemaal was. Daartussen stond een strijkplank, die blijkbaar als tafel werd gebruikt, maar ook met allemaal onidentificeerbare dingen erop en eronder. Zou ze die nog weleens gebruiken, vroeg ik me nog af toen ik dat zag. Nou ja, en de kastjes enzo waren ook echt smerig, hoewel dat haast niet te zien was doordat er zoveel spullen stonden. De achterdeur, die naast het raam zat, was nog net te bereiken, hoewel je daarvoor wel over een grote doos met keukenspullen heen moest zien te komen. Toen ik dat zag dacht ik nog: als hier maar geen brand uitbreekt…

Vervolgens gingen we de trap op naar boven. Langs de traptreden stonden van beneden naar boven hoge stapels boeken en tijdschriften en op de overloop stonden net als beneden tassen en dozen langs de muren. Daar leken voornamelijk papieren in te zitten. Ik zag dat er eentje helemaal vol zat met bankafschriften, maar dat moest dan wel van jaren en jaren zijn. De slaapkamer was aardig netjes. ‘Die probeer ik opgeruimd te houden, want anders lig ik daar niet lekker, maar het andere kamertje gebruik ik als opslag voor alles wat ik aan het uitzoeken ben.’
Na het zien van de kleinere slaapkamer, die inderdaad helemaal volgeladen was, want de deur kon nauwelijks nog open, stuurde ik het gesprek zo dat we weer naar beneden zouden gaan om verder te praten. Voordat ik samen met de vrouw aan de slag kon gaan met het huis, leek het me beter haar eerst wat beter te leren kennen. Dit zou een grote klus worden en het zou niet kunnen werken als ik de vrouw niet wat beter begreep. En het was ook belangrijk dat er een vertrouwensband zou ontstaan, dat was bij iedere cliënt belangrijk. Daarom vroeg ik voorzichtig hoe het nou toch zo was gekomen dat het huis zo vol met spullen stond, waarop de vrouw begon te vertellen:
‘Toen mijn man nog leefde, was het hier altijd heel netjes. Elf jaar geleden overleed hij na een vreselijk ziekbed, dat hij grotendeels thuis had doorgebracht. Daarna viel ik in een groot gat, want we waren ruim vijftig jaar onafscheidelijk geweest. We hebben nooit kinderen gekregen, maar we hadden altijd genoeg aan elkaar. Maar toen hij wegviel, hoefde het voor mij eigenlijk niet meer.’
‘Dat moet heel moeilijk zijn geweest,’ had ik gezegd, ‘maar hoe ging het daarna verder dan?’
‘In het eerste jaar na zijn dood was ik zo overmand door verdriet, dat de dagelijkse dingen me te zwaar vielen. Ik kon amper eten van de ellende en schoonmaken, daar deed ik niet meer aan, ik had er gewoon geen energie voor. Opruimen deed ik ook niet meer, ik liet alles waar ik mee bezig was gewoon liggen en ongemerkt werden dat stapels met dingen. Ik zag er geen heil in om dat allemaal op te rapen, want voor wie zou ik dat moeten doen? Voor mezelf? Dat interesseerde me helemaal niet.
Veel van de spullen die ik overal bewaarde kwamen van de zolder, die altijd al heel vol stond. Mijn man en ik hadden allebei altijd al moeite om spullen weg te doen en die belandden dan daar, waar we er geen omkijken meer naar hadden. Ja, ziet u, we zijn allebei opgegroeid in armoe en spullen weggooien, dat was bijna ondenkbaar in onze jeugd, dat dééd je gewoon niet. Dat gevoel is bij ons allebei wel een beetje blijven hangen. En ik heb veel herinneringen aan al die spullen, dus ik kan het niet over m’n hart verkrijgen die weg te doen. Bovendien zitten er nog heel veel bruikbare spullen bij, die naar de kringloop kunnen of naar mensen die het echt nodig hebben.
Daarom ben ik op een dag begonnen met het opruimen van de zolder, want ik was ook wel benieuwd wat ik daar allemaal zou tegenkomen na al die jaren. Die spullen nam ik dan mee naar beneden en naar het kleine kamertje om dat daar uit te zoeken. En een tijdlang kocht ik zelf ook veel nieuwe dingen, die dan vaak ook weer naar dat kamertje verdwenen. Zo komt het dat het daar zo vol staat en de zolder staat eigenlijk ook nog steeds helemaal vol, er is geen doorkomen aan.’

‘Nee, dat snap ik wel,’ had ik gezegd, ‘het lijkt me ook heel lastig om het overzicht te houden als er zoveel op te ruimen is. Maar ik wil u de komende tijd graag helpen, zodat we samen het huis weer wat opgeruimder kunnen krijgen. Zullen we de volgende keer dat ik kom beginnen met het opruimen van de keuken?’
Zichtbaar opgelucht had ze me aangekeken: ‘Misschien dat ik dan binnenkort weer eens iemand bij me thuis uit durf te nodigen…’