
De herfst is aangebroken. Halsreikend kijk ik vooruit, me verheugend op de twee seizoenen van rust en contemplatie. Laat de stormen maar komen, ik sta stevig verankerd in de binnentuin. Nat zal ik wel worden, vanaf de ene zijkant die soms open is, maar de koude zal me niet deren, daar ben ik op gebouwd.
De vorige lente hebben ze geprobeerd me weg te krijgen. En dat terwijl ik nog maar net was opgedoken in de dichtbegroeide tuin. Doelbewust is er geprobeerd me uit te roeien, maar mijn wortels reikten zo diep, dat het zelfs met de grootste spade niet gelukt is me volledig te verwijderen. De restjes die achterbleven waren wonder boven wonder levensvatbaar genoeg: ze raapten zich samen en metamorfoseerden langzaam maar zeker weer tot aan het eerste kleine sprietje dat contact maakte met de buitenlucht. En zie, daar was ik weer, opgelucht ademhalend op weg naar een nieuwe overvloedige tijd, door elke andere begroeiing benijd uiteraard, want het leek me zo gemakkelijk af te gaan.
En ja, al snel tierde ik weer welig in de gaarde, omringd door nog veel meer leven; dat raasde en krioelde maar aan. Onopgemerkt was ik nog even gebleven, nou ja, wezenlijk nog best wel lang, maar dat alles betrekkelijk was, wist ik diep van binnen al.
Op de dag dat er notitie van mij werd genomen als ongewenst ontplooiend wasdom, brak net de nieuwe zomer aan. Mijn vooruitzicht naar florissante tijden in de zomerse zon leek ineens niet meer zo onomstotelijk vast te staan. Maar gelukkig, een deel van mij mocht blijven staan. Ze probeerden me te beteugelen, maar heimelijk wist ik dat natuurlijk al. Door de ondergrondse wereld verspreidde ik me ongezien, er was plek genoeg waar ik voorlopig onopgemerkt zou kunnen blijven. Er waren wel vermoedens hoor, vanuit mijn plek van oorsprong, maar zeker was het niet. En ach, bovendien, het kon ze eigenlijk ook niet zoveel schelen, wat je niet ziet bestaat immers niet. En zo ging ik smoezend verder, een wijze les geleerd: voor een lang en gelukkig leven dien je niet te nadrukkelijk aanwezig te zijn.