
De hoogtijdagen waren in de 17e eeuw,
maar het was al eerder ontstaan:
de mensen gingen naar buiten
en dansten maar aan.
Men danste in de straten
en steeds meer haakten er aan.
Een beetje net als de flagellanten,
ook gedreven door religieuze waan.
Anderen gaven het koren de schuld,
ja, dat had het gedaan,
de moederkoornalkaloïden welteverstaan.
Het was een trancestoornis, Sint-jans ziekte genaamd,
gekoppeld aan de heilige Johannes,
ook wel Sint Jan genoemd.
Er was een verband met sint-jan’s kruid,
dat alom werd geprezen.
Het werd gebruikt tegen depressies
en om wonden te genezen.
Er kwamen ook verklaringen uit een andere hoek,
zoals angst voor de pest of andere stress in die tijd.
Maar dan was het een massale psychogene ziekte,
waarbij saamhorigheid de onrust verdrijft.
Ook bovennatuurlijke oorzaken
werden aangedragen,
zoals toverij, bezetenheid en straf.
En zelfs de invloed van de sterren
werd aangehaald:
de stand van de planeten en de maan
en de banen die ze zouden begaan.
Dancing mania: het was hysterie omringd door mysterie.
Een soort gekte, die verbondenheid suggereerde.
En er was een opkomst en een teloor.
Maar waarom komt ’t me toch zo bekend voor?